LACH, VAMPIER

Hij is haar vrolijke vampier. Elke avond, na zonsondergang, verschijnselt hij waanzinnig gillend in haar kamertje. Met het donsdeken tot net onder de neus, ligt ze hem op te wachten. “Neen, ik wil niet”, zegt ze, en zelfs het licht van de witte maan deinst terug voor de zilveren kracht van haar blik. Maar ze bedoelt ja.

Altijd bedoelt ze ja.

Hij duikt naar beneden, de slagtanden ontbloot. Graaft zich in met zijn vampierensnuit, tot aan dat zachte, warme plekje onderaan haar hals. Daar laaft hij zich aan haar geur en haar lach. “Stop”, beveelt ze, maar ze bedoelt ga door.

Altijd bedoelt ze dat.

Echo’s van haar geschater druipen in dikke, taaie druppels van de witte maan. Haar hielen, hard en eeltig na al die uren balletklas, slaan een wilde roffel op de matras. “Hou op!”, eist ze. Maar hij is nog lang niet voldaan. Als een drenkeling klampt hij zich vast aan die geur en die lach. Tot hij haar lenige lijf niet meer in bedwang kan houden en ze zich zegevierend weet los te rukken.

“Ha!”, triomfeert ze, en zelfs de witte maan wordt even verblind door het zilver in haar blik.

Achteraf slaat ze haar armen om zijn nek en vraagt hem een verhaaltje te vertellen. “Daar is het nu te laat voor”, zegt hij. “Je moest eigenlijk allang liggen snurken.”

“Had jij me maar niet opnieuw klaarwakker moeten maken.”

“Wij lachvampieren kunnen niet overleven zonder onze dagelijkse portie vrolijkheid”, zegt hij. “Daar is niets aan te doen.”

“Morgen niet”, roept ze hem na als hij de kamer uitloopt. “Morgen wil ik het echt niet.”

Maar ze bedoelt ja, weet hij. Altijd bedoelt ze ja.

 

Leave a Reply